Wacht niet tot de toets: zicht houden op leren terwijl het gebeurt

Je hebt met een klas een paar lessen gewerkt aan een schrijfopdracht. Je hebt uitgelegd waar een goede tekst aan moet voldoen, voorbeelden besproken en leerlingen zelfstandig laten werken. Als je de teksten uiteindelijk leest, blijkt een flink deel van de klas moeite te hebben met precies datgene waarvan je dacht dat het duidelijk was: een logische opbouw en goede argumentatie.

Misschien herken je dat moment. Je kijkt naar het resultaat en denkt: Hè? Maar dit hebben we toch besproken?

Dat overkomt volgens mij iedere leraar weleens.

En dan komt een andere vraag op: wanneer had ik eigenlijk kunnen zien dat het leren niet liep zoals ik dacht dat het liep?

Dat is voor mij de kern van formatief leren en lesgeven: tijdens het leren regelmatig proberen te zien waar leerlingen staan, zodat je nog kunt bijsturen. Niet nóg meer toetsen en ook niet iedere vijf minuten een nieuwe werkvorm.

En het goede nieuws is: dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Verderop vind je drie eenvoudige manieren die je vrijwel direct kunt gebruiken: wisbordjes (kan ook papier), diagnostische meerkeuzevragen en denken-delen-uitwisselen. Maar eerst: waarom zijn juist die tussentijdse momenten zo belangrijk?

Zicht krijgen vóórdat het resultaat er ligt

Lesgeven blijft tot op zekere hoogte een onzeker vak. We leggen iets uit en proberen ondertussen in te schatten wat er bij allerlei verschillende leerlingen gebeurt. We zien gezichten, horen antwoorden en lopen langs tafels. Maar die signalen kunnen ons ook op het verkeerde been zetten.

Een klas die stil luistert, heeft niet automatisch begrepen wat we uitleggen. Eén leerling met een goed antwoord zegt nog weinig over de rest van de groep. En op de vraag “Is het duidelijk?” kunnen leerlingen oprecht ja antwoorden, terwijl later blijkt dat ze iets anders hebben begrepen dan wij dachten. 

Dat is geen onwil van leerlingen en ook geen falen van de leraar. Het laat vooral zien hoe lastig het is om leren zichtbaar te krijgen. Daarom helpt het om tijdens een les bewust een paar momenten in te bouwen waarop we informatie ophalen.

Eigenlijk zoeken we steeds antwoord op drie vragen: Waar werken we naartoe? Waar staan de leerlingen nu? En wat is op basis daarvan een logische volgende stap?

Van “volgens mij begrijpen ze het” naar iets meer informatie

Misschien herken je dit: je hebt iets uitgelegd, een paar leerlingen reageren goed en je denkt: Volgens mij hebben ze hem. Maar zeker weten doe je het niet.

We moeten tijdens een les voortdurend beslissingen nemen en kunnen nu eenmaal niet bij iedere leerling in het hoofd kijken. Maar soms kunnen we met een kleine ingreep nét wat meer informatie krijgen voordat we verdergaan. Drie manieren die daar goed voor werken:

lees verder onder de afbeelding

1. Gebruik wisbordjes

Stel een korte inhoudelijke vraag en laat iedere leerling het antwoord op een wisbordje schrijven (of duidelijk en groot op een vel papier). Op jouw teken houdt iedereen het bordje omhoog. In een paar seconden krijg je een beeld van de hele groep.

Misschien zie je dat vrijwel iedereen het beheerst en kun je verder. Misschien blijkt één misvatting heel breed voor te komen. Of je ziet juist verschillende antwoorden waardoor je nieuwsgierig wordt naar de redeneringen erachter.

Het bordje is dus niet vooral een mini-toetsje. Het geeft jou informatie waarmee je kunt beslissen wat handig is om vervolgens te doen.

2. Stel diagnostische meerkeuzevragen

Meerkeuzevragen worden vaak geassocieerd met toetsen, maar ze kunnen juist tijdens het leren heel bruikbaar zijn.

Vooral wanneer je de verkeerde antwoorden bewust ontwerpt vanuit veelvoorkomende denkfouten.

Stel dat antwoord B bijvoorbeeld past bij een leerling die één tussenstap overslaat en antwoord C bij een andere veelgemaakte fout. Dan zie je niet alleen hoeveel leerlingen het goede antwoord kiezen, maar krijg je ook enig zicht op waar het denken eventueel ontspoort.

Je kunt eventueel leerlingen eerst individueel laten antwoorden en daarna met een buur laten bespreken waarom zij voor een bepaald antwoord kozen. Vervolgens vraag je opnieuw naar hun antwoord.
Daarmee verzamel jij informatie én denken leerlingen actief na over hun eigen redenering en die van hun klasgenoot.

3. Gebruik denken-delen-uitwisselen

Dit is misschien wel de eenvoudigste.

Je stelt een vraag, maar vraagt niet meteen wie het antwoord weet. Eerst denkt iedereen zelf na. Daarna bespreken leerlingen hun antwoord met een buur. Vervolgens wissel je klassikaal uit.

Het verschil lijkt klein, maar het voorkomt dat dezelfde paar snelle leerlingen steeds het denkwerk voor de klas doen.

En terwijl leerlingen met elkaar praten, kun jij rondlopen en luisteren.

Wat hoor je? Welke woorden gebruiken ze? Welke misverstanden komen terug? Waar redeneren leerlingen al verrassend sterk?

Ook dát is informatie over leren.

De werkvorm is niet het belangrijkste

Er zijn natuurlijk veel meer mogelijkheden: exit tickets, korte quizvragen, voorbeelden vergelijken, peerfeedback of observeren tijdens het oefenen. Maar de kracht zit niet in de werkvorm zelf. Een wisbordje maakt een les nog niet automatisch formatief.

Het interessante moment komt erna: wat doe je met wat je hebt gezien?

Soms kun je gewoon verder. Maar misschien geef je nog een voorbeeld, laat je leerlingen nog even samen oefenen of zet je twee verschillende redeneringen naast elkaar. Misschien kan een deel van de klas verder terwijl je met een paar leerlingen nog teruggaat naar een eerdere stap. En soms stel je iets wat je voor die les had gepland even uit.

Daar zit voor mij een belangrijk aspect van vakmanschap: niet alleen een goede les ontwerpen, maar tijdens die les blijven kijken naar wat er werkelijk gebeurt en daar je volgende stap op aanpassen. Zodat je kunt ontdekken dat iets nog niet lukt als er nog tijd is om er iets mee te doen.

Begin klein

Daar hoeft je onderwijs morgen niet volledig voor op de schop. Kies eens één moment in één les waarop je normaal gesproken denkt: “Volgens mij kunnen ze dit nu.” En maak van dat moment een kleine check.

Laat iedereen een antwoord opschrijven. Gebruik een wisbordje. Stel een diagnostische vraag. Laat leerlingen eerst zelf denken en daarna overleggen.

En stel jezelf vervolgens één vraag: Wat vertelt dit mij over mijn volgende stap?

Meer hoeft het in eerste instantie niet te zijn.

Welke ene kleine stap kun jij morgen zetten om tijdens je les iets beter te zien wat er geleerd wordt?

Kies er één. Probeer hem uit. En kijk wat het jou vertelt. Veel succes!

Geef een reactie