Je wilt een e-learning maken. Maar waar begin je?
Met de vraag: wat moet erin? Welke theorie is belangrijk? Welke stappen moeten worden uitgelegd? Welke begrippen mogen niet ontbreken? Welke filmpjes, checkvragen of downloads voegen we toe?
Dat zijn logische vragen. Maar het zijn niet de eerste vragen.
Als je wilt dat een e-learning meer wordt dan een digitale map met informatie, begint het ontwerp bij de leeruitkomst. De belangrijkste vraag is dan:
Wat moet de lerende na afronding van de e-learning kunnen doen?
Want een lerende die informatie heeft gelezen, heeft nog niet automatisch iets geleerd. En een lerende die een paar controlevragen goed beantwoordt, kan die kennis nog niet vanzelf toepassen in de praktijk. Leren vraagt om actieve verwerking: (onderbouwd) kiezen, toepassen, analyseren, beredeneren, oefenen, reflecteren, vertalen naar de eigen werksituatie, etc.
Juist bij e-learning is goed leerontwerp cruciaal. De trainer of leraar is immers niet live aanwezig om te vertragen, samen te vatten, te corrigeren of een vraag anders te stellen. De begeleiding moet dus in het ontwerp zitten.
Stap 1: begin met de opbrengst
Een sterke e-learning begint achteraan. Wat moet de lerende na afloop kunnen doen?
Backward design noemen we dat: je begint niet met de inhoud, maar met de gewenste leeropbrengst. Pas daarna bepaal je welke uitleg, voorbeelden, oefeningen en opdrachten nodig zijn.
Stel dat je een e-learning maakt over een positief leerklimaat. (Geen toeval, dit onderwerp. Hier ben ik as-we-speak mee bezig.) Dan kun je natuurlijk uitleg geven over veiligheid, relatie, motivatie, structuur en
didactisch ontwerp. Dat is allemaal relevante inhoud. Maar de scherpere ontwerpvraag is:
Wat moet een leraar hierna kunnen doen in de klas?
Bijvoorbeeld:
- een ontspannen gesprek voeren met een leerling;
- signalen herkennen dat het leerklimaat onder druk komt te staan;
- analyseren welke docentinterventie kan helpen of juist kan laten escaleren;
- een kleine actie formuleren om morgen in de les uit te proberen.
Dan verandert de functie van de inhoud. De theorie staat niet op zichzelf, maar wordt een hulpbron voor wat de lerende aan het leren is voor daarna, voor in de praktijk.
Stap 2: maak leerdoelen concreet
Het goed formuleren van leerdoelen voelt misschien als een vervelende, overbodige klus. Maar je hebt het keihard nodig om goede ontwerpbeslissingen te kunnen maken. Ze helpen je kiezen wat wel en niet in de e-learning thuishoort.
Van Myrinne van Mierlo – van the Brainfood Experience – leerde ik het handige hulpmiddel WINC:
Werkwoord (wat gaat de lerende doen – graag iets meetbaars)
Inhoud (met welke leerinhoud)
Norm (volgens welke norm)
Context (binnen welke context)
Dus niet alleen:
De lerende begrijpt wat een positief leerklimaat is.
Maar bijvoorbeeld:
De lerende benoemt (werkwoord) tenminste 2 zichtbare kenmerken van een positief leerklimaat (inhoud) volgens Marzano (norm) in een gegeven casus (context).
Je ziet meteen wat iemand moet doen, met welke inhoud, op welk niveau en in welke context. Dat maakt je ontwerpkeuzes een stuk eenvoudiger. En als je ‘de lerende’ vervangt door ‘ik’, weet de lerende ook meteen wat deze gaat leren.
Tip: laat AI je helpen om je leerdoelen goed te formuleren. Verwerk in je prompt bovenstaande uitleg en het voorbeeld, en vraag je LLM om je leerdoelen te herformuleren. Wel goed checken natuurlijk. En als je niet tevreden bent: geef je feedback ook aan je LLM → daar wordt ‘ie beter van, het is net een leerling/student/deelnemer 😉
Stap 3: bepaal de volgorde en maak je ontwerp
Die volgorde bepalen doe je natuurlijk zoals je dat bij een live les of training ook doet: logische opbouw, behapbare hoeveelheden tegelijk, stap voor stap.
Maar dan, het ontwerpen van leeractiviteiten. Kijk naar elk onderdeel van je e-learning en vraag jezelf af:
Wat doet de lerende hier eigenlijk?
Als het antwoord vooral is: lezen, kijken, luisteren of doorklikken, dan is de lerende vooral informatie aan het consumeren. Dat kan nuttig zijn, maar het is meestal niet genoeg.
Maak er daarom een leeractiviteit van. Natuurlijk moeten lerenden informatie lezen of bekijken, maar koppel er altijd direct een actieve verwerkingsoefening aan. En zorg dat elke oefening ook automatisch feedback geeft die verder helpt.
Een eenvoudige, doch goed bruikbare vorm is een meerkeuzevraag, waarbij elk antwoord in principe wel zou kunnen, maar waarbij één antwoord echt het beste is. Bij elk antwoord krijgt de lerende feedback: wat klopt eraan, wat klopt minder, en waarom is dit wel of niet de beste keuze?
Tip: laat AI je helpen om verschillende antwoordmogelijkheden en feedback goed te formuleren. Belangrijk is daarbij is telkens de leerervaring: de lerende moet echt even nadenken over het antwoord en krijgt feedback die ondersteunt bij goed denkwerk en die corrigeert bij denkfouten. Geef die instructie mee in je prompt. (En check, check, dubbelcheck en redigeer de output.)
Retrieval practice en transfer inbouwen
Leren wordt sterker als lerenden actief informatie ophalen uit hun geheugen. Dat heet retrieval practice. Korte vragen, toepassingsopdrachten en “wat weet je nog?”-momenten zijn onderdeel van het leerproces. Tip: stel t.b.v. retrieval practice je e-learning zo in dat lerenden vragen onbeperkt kunnen herkansen.
Daarnaast hoort transfer vanaf het begin in het ontwerp. Zeker bij professioneel handelen, maar ook in schoolsituaties, is de echte vraag: wat doet iemand straks anders in de praktijk?
Laat lerenden daarom niet alleen inhoud verwerken, maar ook de brug maken naar hun eigen praktijksituatie. Laat hen een situatie kiezen, een kleine actie formuleren, voorspellen wat lastig wordt, of na afloop terugkijken op wat zij hebben geprobeerd.
Stap 4: bouwen en testen
Helaas… je eerste versie is meestal niet je beste. Laat je e-learning testen en haal feedback op. Gebruik die om bij te stellen en aan te passen. Dan hebben niet alleen je lerenden iets geleerd, maar jijzelf ook 😉
En AI?
Ik noemde hem al in 2 tips. Voor mij is AI vooral een sparringpartner. Die bespaart me soms tijd, bijvoorbeeld als ik zit te zwoegen op de formulering van antwoordmogelijkheden. Soms bespaart AI me helemaal geen tijd, maar scherpt het wel mijn eigen denken aan. En alles staat of valt met de kwaliteit van je prompt. Tip: vraag AI eens om jou wat verduidelijkingsvragen te stellen voordat het antwoord geeft. Of om feedback te geven op je prompt en deze te verbeteren.
Tot slot
Wat mij betreft ontstaat een goede e-learning dus niet door informatie netjes te ordenen. Dat is hooguit het begin. De kwaliteit zit in de leerroute die je ontwerpt: wat lerenden doen met de inhoud, hoe ze ermee oefenen en hoe ze de stap maken naar hun eigen praktijk.
Of, kort gezegd: ontwerp niet alleen wat lerenden moeten begrijpen en onthouden. Ontwerp vooral wat ze gaan doen, in je e-learning én in de praktijk.
Welke aanvullende tips heb jij voor andere e-learning ontwikkelaars?
Deel ze in de reacties hieronder, dat wordt gewaardeerd!

